Burkini mag

8 november 2010 - Een moeder ging van de zomer zwemmen in burkini en moest het zwembad verlaten. Zij klaagde bij de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) en kreeg vorige maand gelijk.
beeld/2010/11/burkini.jpg - burkini


De moslima in kwestie ging op 20 augustus 2009 onder andere met haar zoon, zussen en kinderen van familie gaan zwemmen. Zij was de enige met een burkini. Toen ze wilde gaan zwemmen, sprak een van de personeelsleden haar aan. Zij mocht niet zwemmen in een burkini omdat het volgens hem geen zwemkleding zou zijn. Toen er twijfel ontstond of de burkini wel of geen zwemkleding was, heeft hij er een tweede medewerker bij gehaald. Deze medewerker besloot dat de burkini geen zwemkleding was. Verzoekster mocht vervolgens niet meer zwemmen en moest het zwembad verlaten. Volgens de medewerkers kon de burkini niet als zwemkleding gezien worden.
Het zwembad bleek echter eerder voor de Commissie te hebben gestaan. Toen is naar aanleiding van het oordeel van de Commissie, een mededeling rondgestuurd waarin werd vermeld dat zwemmen in een burkini is toegestaan. Dit bericht was blijkbaar niet door alle medewerkers onthouden. 

De Commissie stelt dat vast is komen te staan dat verzoekster verboden is om met haar lichaamsbedekkende zwemkleding te zwemmen. Terwijl er geen specifieke huisregels bestaan die het dragen van burkini’s verbieden. Er is dan ook geen sprake van direct onderscheid op grond van godsdienst. Maar, het personeel stelde dat lichaamsbedekkende kleding, ongeacht de stof waarvan het is gemaakt, niet voldoet aan het criterium zwemkleding en dat een burkini daarom niet is toegestaan. Door deze uitspraak worden vrouwen getroffen die vanwege hun godsdienstige overtuiging willen zwemmen in een lichaamsbedekkend badpak. Dit heeft tot gevolg dat er wel indirect onderscheid is gemaakt op grond van godsdienst.

Als er sprake is van indirect onderscheid dan moet het onderscheid objectief gerechtvaardigd worden door een legitiem doel en de middelen voor het bereiken van dat doel passend en noodzakelijk zijn. Dan moet i.c. het zwembadpersoneel feiten aandragen waarom hier onderscheid gemaakt gerechtvaardigd zou zijn. De zwembadmedewerker erkende echter dat hij een fout heeft gemaakt door het maken van het onderscheid. 
De Commissie oordeelt daarom dat de zwembadmedewerker verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van godsdienst bij het aanbieden van en het verlenen van toegang tot goederen en diensten (artikel 7, eerste lid, onderdeel a, AWGB).

 

  • Zoeken

Naar boven