‘Zwarte negerinnen zijn allemaal kankerhoeren’,
De politierechter in Amsterdam heeft op 11 december 2007 een 36-jarige vrouw veroordeeld tot een werkstraf van 30 uur voor het bedreigen (art. 285 Sr) en beledigen van negroïden en Surinamers wegens hun ras (art. 137c Sr).
De verdachte, met een Marokkaanse achtergrond, zat nog in de tram toen deze de eindhalte naderde. De negroïde tramconductrice maakte hierover een - onder trampersoneel – vast grapje: zij merkte op dat de vrouw zeker de vriendin van de trambestuurder was. Dit viel helemaal verkeerd bij de verdachte. Zij ging vreselijk tekeer tegen de conductrice. Zij voegde de conductrice toe: “Zwarte aap, je moet je wassen met bleekwater, je bent zwart en vies, je moet een andere pruik opzetten, zwarte negerinnen zijn allemaal kankerhoeren” en “Kom naar buiten, dan maak ik je af, ik haal een mes, ik steek haar neer, ik steek haar neer op een moment dat zij niet kijkt, ik ga je doodslaan, ik ga je afmaken”. Er zijn meerdere getuigenverklaringen over het gebeuren. De verdachte gaf toe een deel van de uitlatingen te hebben gedaan. Dit werd naar haar mening uitgelokt door de conductrice die haar, naar haar zeggen, agressief had benaderd. Zij ontkende te hebben gezegd dat alle zwarte negerinnen kankerhoeren zijn.
De politierechter achtte zowel het eerste deel van de uitlatingen als het tweede deel van de uitlatingen bewezen. Zij merkte daarbij op dat beledigd is met kenmerken van een groep met de woorden ‘zwarte aap’: daarmee wordt de hele groep beledigd. Zij achtte ook het laatste deel van de uitlatingen bewezen, maar voegde daar nog aan toe dat zij ook zonder de toevoeging ‘zwarte negerinnen zijn allemaal kankerhoeren’ 137c Sr bewezen zou achten. Ook achtte de rechter de bedreiging bewezen.
Horecadiscriminatie Graft – de Rijp
De politierechter in Alkmaar heeft een eigenaar van een discotheek in Graft- de Rijp, conform de eis van de officier van justitie, veroordeeld tot een geldboete van 1.000 euro voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren. De veroordeling was ter zake van 137g Sr, het in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf opzettelijk discrimineren van personen wegens hun ras.
In de onderhavige zaak hanteerde de eigenaar en uitbater van de discotheek een deurbeleid, waarbij met name allochtoon uitziende mannen, die alleen of in een groepje kwamen, werd verteld dat ze niet naar binnen mochten als ze geen pasje hadden. Dat werd niet gezegd tegen autochtoon uitziende mannen. Om een pasje aan te vragen was een kopie van het paspoort nodig, alsmede een uittreksel van het bevolkingsregister met vermelding van de huwelijkse staat en voor degenen die niet in Nederland geboren waren een kopie van de inburgeringscursus, of een kopie van het certificaat voor een cursus Nederlandse taal.
Op 4 februari 2006 werd de test uitgevoerd. Twee allochtoon uitziende deelnemers werden geweigerd door de portier. Omdat de portier de regels van de eigenaar/uitbater uitvoerde heeft de officier van justitie primair medeplegen van opzettelijke discriminatie (meermalen gepleegd) in de uitoefening van een ambt, beroep of bedrijf ten laste gelegd, en subsidiair de overtreding van artikel 429quater Sr.
De verdachte heeft bij de politie en ter terechtzitting verklaard dat hij niet discrimineert, maar dat hij als hij of zijn portier denkt dat iemand eerder bij hen is geweest en zich niet goed heeft gedragen, deze zogenaamde "relschopper" een pasje moet aanvragen. Hij bleef tijdens de zitting volhouden dat iedereen welkom is in de discotheek, maar sprak wel over "die mensen" en "die lijken allemaal op elkaar" en dergelijke bewoordingen.
De politierechter achtte het primaire feit bewezen en heeft de verdachte veroordeeld ter zake van overtreding van art. 137g Sr meermalen gepleegd (waarbij zowel het weigeren van de toegang als de tekst van het pasje als discriminatoir werd aangemerkt).
Waardebon gratis naar Marokko
In een uitspraak van 17 maart van de politierechter te Rotterdam zijn Michiel Smit en drie medeverdachten vrijgesproken van het beledigen van en het aanzetten tot discriminatie en/of haat van personen van Marokkaanse afkomst. Michiel Smit staat bekend als ex-politicus van Nieuw Rechts in Rotterdam.
Op 31 mei 2006 werd in Maassluis de jaarlijkse buitenspeeldag gehouden. Dit evenement werd verstoord door een groep jonge jongens van Marokkaanse komaf. Uit de aangifte die de burgemeester heeft gedaan valt op te maken dat de sfeer vanaf een bepaald moment gespannen werd, vrijwilligers werden door de jongens beledigd, spelletjes werden omgeschopt en uiteindelijk werden er stokken en stenen naar de vrijwilligers gegooid. Dit heeft geleid tot strafrechtelijk optreden tegen de groep jongens.
De verdachten in deze zaak waren het blijkbaar niet eens met de manier waarop de burgemeester en ‘de politiek’ met deze zaak omgingen. In een artikel in het AD zei Michiel Smit: “Het is te zot dat hij de lieve vrede wil bewaren”. Op 8 juli 2006 hebben de verdachten pamfletten verspreid met de volgende tekst:
“Waardebon gratis naar Marokko. Let op de voorwaarden. Kom maandag 10 juli naar het gemeentehuis van Maassluis. De eerste gelukkigen krijgen een gratis reis naar Marokko aangeboden. De burgemeester van Maassluis zal dit persoonlijk overhandigen. Dit als dank voor het verstoren door Marokkaanse jongeren van de buitenspeeldag. Er is besloten om familie, vrienden en bekenden van deze jeugd een reis aan te bieden terug naar Marokko. Bel 010-
De pamfletten werden verspreid in de wijk waar zich ook het Marokkaanse jongerencentrum en de moskee bevinden, via brievenbussen, het aanplakken op lantaarnpalen en het achterlaten van de pamfletten onder de ruitenwissers van geparkeerde auto’s. Ook bij de moskee werd een aantal pamfletten bezorgd. In het artikel in het AD treedt Michiel Smit naar buiten als degene die achter deze actie zit. De drie medeverdachten zijn allen actief betrokken geweest bij het verspreiden van de pamfletten.
De officier van justitie betoogde dat in het pamflet de Marokkaanse gemeenschap als geheel verantwoordelijk werd gesteld voor het gedrag van enkele jongeren tijdens de buitenspeeldag. De officier refereerde daarbij aan de uitspraken die door de verdachten in de pers en op internet werden gedaan. Michiel Smit zei in het reeds genoemde artikel in het AD: ‘Mensen die zich niet aanpassen moeten worden teruggestuurd naar Marokko.’ Een andere verdachte zei op internet: ‘Wat mij betreft sturen we dat gajes nu eens terug naar Marokko’. De officier eiste een voorwaardelijke celstraf van twee weken en een boete van
€500.
De rechter deed mondeling uitspraak. Volgens de persofficier van justitie van Rotterdam was de politierechter van oordeel dat Marokkanen als groep niet beledigd worden, omdat het pamflet zich richtte op de relschoppers in het algemeen. Aan de beoordeling van artikel 137d, het aanzetten tot discriminatie/haat, is de rechter niet toegekomen omdat daar ook de groep van cruciale betekenis is. Het OM heeft appel ingesteld tegen de uitspraak.
Website Polinco (politiek incorrect)
Op 21 april 2008 werd tijdens de zitting van de Strafkamer Europees Recht in Amsterdam de zaak behandeld tegen een verdachte die islamofobe, racistische, homofobe en antisemitische uitlatingen had gedaan op de website ‘Polinco’. Hij schreef geregeld op de website. De ten laste gelegde uitlatingen waren onder meer: ‘Er gaat heus wel poen naar een zekere ex-slavenorganisatie en voortaan meer. De ex-pisbakorganisatie ‘het COC’ te Amsterdam krijgt maar liefst anderhalve ton van de gemeente om faillissement te voorkomen. Geld zat hoor voor de kruipende dieren’, en ‘Zegt de dansneger gister in Kunststof het zo spijtig te vinden uit de voormalige Bijlmer te moeten vertrekken. Dat is zijn oerwoud geweest dat nu wordt gerooid. Liedjes om zijn minderwaardigheid weg te zingen. Al die kruipende dieren zitten bij elkaar. Straks zijn het ex-negers maar niet minder vies’.
De officier van justitie overwoog dat het mogelijk zou zijn dat aan uitlatingen het beledigende karakter zou worden ontnomen, als deze uitlatingen zouden worden gedaan in het kader van een maatschappelijk debat. De teksten die op de website Polinco werden gezet kunnen echter niet worden gezien als bijdragen aan het maatschappelijk debat. Degenen die teksten achterlaten debatteren niet, maar spuwen hun gal. Ook ging de officier in op de verhouding tussen het strafbaar stellen van discriminatie en de vrijheid van meningsuiting. In artikel 10 EVRM wordt het recht op vrijheid van meningsuiting gewaarborgd. Dit is een belangrijk recht, zonder welke een democratische samenleving niet kan bestaan. Het is echter geen onbeperkt recht. In artikel 10 lid 2 EVRM zijn de voorwaarden te vinden waaraan een beperking van de vrijheid van meningsuiting moet voldoen. Een beperking moet bij wet zijn voorzien, een legitiem doel nastreven en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. De vrijheid van meningsuiting mag beperkt worden om de rechten van anderen te beschermen. In dit geval is dat het recht van andere mensen om gevrijwaard te blijven van discriminerende uitingen. Een beperking van de vrijheid van meningsuiting is dan ook toegestaan, om discriminatie tegen te gaan. De officier eiste een geldboete van € 900, waarvan de helft voorwaardelijk, met een proeftijd van 2 jaar.
De raadsman van de verdachte vergeleek deze zaak met andere gevallen waarin de vraag gesteld kan worden wanneer een begrenzing van de vrijheid van meningsuiting in het strafrecht toegestaan is. Deze zaak was volgens hem een relatief slap aftreksel van de discussie over de vrijheid van meningsuiting, vergeleken bij bijvoorbeeld de uitspraken van Geert Wilders, die een grote impact hebben.
Het gaat hier niet om een politicus, maar om een eenling die in een obscuur hoekje van het internet uitspraken doet. Artikel 137c Sr is niet bedoeld voor dergelijke gevallen. De naam van de website wijst erop dat de bezoekers bewust de provocatie opzoeken en erop uit zijn tegen heilige huisjes te schoppen. De site valt buiten de mainstream media. In een pluriforme samenleving moet hier ruimte voor bestaan. Ook was er bij de verdachte geen opzet op de openbaarheid, dan zou een ander forum gekozen zijn. Hij kon en hoefde niet te weten dat ook anderen zijn teksten zouden lezen. De uitlatingen van de verdachte moeten worden gezien als ‘political speech’, ook al zijn zijn uitlatingen niet chic. In een pluriforme samenleving moeten dergelijke uitingen echter gedaan kunnen worden.
Op 2 juni 2008 werd er uitspraak gedaan in de zaak. De rechtbank ging uitgebreid in op de betekenis van artikel 10 EVRM voor de strafbaarstelling van discriminerende uitspraken. De rechtbank is van mening dat de teksten zoals opgenomen in de tenlastelegging onmiskenbaar beledigend en onnodig grievend zijn voor de groepen op wie ze betrekking hebben. De waardigheid en menselijkheid van deze groepen wordt op onaanvaardbare wijze aangetast. Dat betekent volgens de rechtbank echter nog niet dat een strafrechtelijke veroordeling de juiste reactie is op dergelijke uitingen. In de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens komt naar voren dat de vrijheid van meningsuiting een van de meest essentiële fundamenten van de democratische rechtsstaat vormt. Artikel 10 EVRM beschermt niet alleen uitspraken waar iedereen het mee eens is, maar ook uitlatingen die ‘offend, shock or disturb’. Er kunnen ingevolge artikel 10 lid 2 EVRM beperkingen aan dit recht worden gesteld, als die zijn vastgelegd in de wet, een legitiem doel dienen (een doel zoals genoemd in artikel 10 lid 2 EVRM) en noodzakelijk zijn in een democratische samenleving. Er moet een dringende maatschappelijke noodzaak zijn om de uitingsvrijheid te beperken. De staat heeft daarbij, afhankelijk van de omstandigheden, een bepaalde eigen beoordelingsruimte (margin of appreciation).
Naar het oordeel van de rechtbank moet er onderscheid worden gemaakt tussen informatie die ongevraagd op ons wordt afgevuurd en informatie waar men actief naar op zoek gaat. Niet is gebleken, volgens de rechtbank, dat de website Polinco actief de openbaarheid nastreeft. De rechtbank achtte aannemelijk dat de verdachte de bedoeling had dat zijn uitspraken slechts door gelijkgestemden zouden worden gelezen. De rechtbank was er daarom niet van overtuigd dat de verdachte het opzet had de uitingen in de volle openbaarheid te doen en sprak hem vrij. Het Openbaar Ministerie heeft tegen deze uitspraak appel ingesteld.
Antisemitische column in Havana, parketnummer 13/523337-06
Op 27 maart 2008 stond een columnist van het blad Havana, een wekelijks studentenblad van de Hogeschool Amsterdam, voor de rechter in Amsterdam. Hem werd ten laste gelegd dat hij in de column ‘Arnold’, verschenen in Havana in september 2006, discriminerende uitlatingen had gedaan over Joden (artikel 137c Wetboek van Strafrecht).
In de betreffende column klaagde de schrijver over het gedrag van Israëlische jongeren tijdens zijn vakantie in Egypte. Vervolgens richtte hij zijn pijlen echter op Joden in het algemeen en deed hij onder meer de volgende uitspraken:
- "Sinds de nazi-tijd is het niet echt cool om negatieve dingen te zeggen over
joden, maar soms snap ik best hoe het in 1937 allemaal zo ver heeft kunnen komen"
- "Maar de afgelopen maanden heb ik meerdere malen gemerkt dat ik bij conflicten altijd aan de kant van de niet-jood sta"
- "Misschien moet ik dus niet alle joden door de mangel halen, omdat het me vooral om de ziekmakende Israëliërs gaat, maar eerlijk is eerlijk: uiteindelijk kunnen we ze allemaal terug leiden naar het heilige land".
De verdachte verklaarde tijdens de zitting dat hij de column achteraf misschien iets ‘te zwart-wit’ vindt. Hij noemde de tekst een ‘spijkerharde column met enkele slecht gekozen bewoordingen’. Hij heeft geschreven wat hij op dat moment voelde.
De officier achtte geen van de verweren van de advocaat deugdelijk. De vrijheid van meningsuiting, ook van journalisten, wordt begrensd door de discriminatieartikelen. In de column is sprake van onverdund antisemitisme. De officier acht de column allerminst satirisch, dit blijkt niet uit de gebruikte stijlfiguren. Verder is het niet van belang of Joden zich door de column beledigd voelen. De woorden van de columnist zijn beledigend over Joden en daarmee strafbaar. Men kan de situatie vergelijken met beledigingen die worden geuit over een groep in een taal die de groep niet verstaat.
De leden van de groep zullen zich niet beledigd voelen, omdat zij de woorden niet begrijpen. Als vastgesteld kan worden dat de tekst beledigend is over de groep, zijn de bewoordingen wel degelijk strafbaar. De intentie van de verdachte is bij de discriminerende belediging niet van belang. De verdachte had moeten beseffen dat zijn woorden beledigend waren.
Op 2 juni deed de Strafkamer Europees Recht uitspraak. De rechtbank achtte de eerste en de derde uitspraak op zichzelf gezien beledigend over Joden, maar de tweede uitspraak niet. Er wordt in de uitspraak uitgebreid ingegaan op artikel 10 EVRM waarin het recht op de vrijheid van meningsuiting wordt beschermd. Voor een uitgebreide beschrijving hiervan, zie de hierboven beschreven uitspraak van de rechtbank in de zaak Polinco. De rechtbank overweegt verder dat uit de jurisprudentie van het EHRM kan worden opgemaakt dat de pers in het bijzonder de bescherming van de vrijheid van meningsuiting geniet. De pers moet immers haar rol van publieke waakhond in een democratische samenleving kunnen vervullen. Volgens de rechtbank zijn de uitlatingen niet gedaan in een context die daaraan het beledigende karakter ontneemt. In weerwil van het beledigende karakter moet echter rekening gehouden worden met het feit dat het een column betreft. In columns mag sprake zijn van een zekere mate van overdrijving, scherpte en ridiculisering. In dit geval wordt het blad waarin de column staat gelezen door studenten van de Hogeschool Amsterdam, dus door onafhankelijk denkende jonge mensen van wie een kritische instelling kan worden verwacht. De verdachte heeft een eigen stijl van schrijven die omschreven kan worden als kritisch agressief. Hij heeft zich nooit eerder negatief uitgelaten over joden. Verder is de aangifte slechts door één persoon gedaan. In dit geval, en in het licht van de artistieke expressie, achtte de rechtbank een veroordeling niet proportioneel. De verdachte werd vrijgesproken.
Het Openbaar Ministerie heeft appel ingesteld.
Replica’s van nazi-messen, parketnummer 13/463817-07
Op 27 maart 2007 vond er een zitting plaats bij de politierechter Amsterdam die betrekking had op discriminatie. De politierechter veroordeelde de verdachte, een student geneeskunde, tot een boete van 150 euro voor het ter verspreiding in voorraad hebben van replica’s van Nazi-messen.
Op vrijdag 25 juli 2007 werden bij het postsorteercentrum in Amsterdam twee pakketten uit de Verenigde Staten onderschept, met daarin een 30-tal replica’s van wapens zoals die werden gebruikt door de Nazi’s ten tijde van de Tweede Wereldoorlog:
- zes replica’s van messen van de Hitlerjugend met op het mes een hakenkruis en de tekst ‘Blut und Ehre’
- vijf replica’s van SS-messen met een Duitse adelaar, een hakenkruis, SS-tekens en de tekst ‘Meine Ehre heisst Treue’
- elf messen van de Reichsarbeitsdienst, een ondersteuningsdienst van de Wehrmacht, met een hakenkruis en het opschrift ‘Arbeit adelt’
- twee messen met een hakenkruis
- drie zwaarden met een hakenkruis
De verdachte liet tijdens het verhoor door de politie weten dat een exemplaar van elke soort bedoeld was voor zijn eigen verzameling en dat hij de rest van de messen wilde verkopen aan vrienden en verzamelaars. Hij zei dat hij voordat hij de messen bestelde, contact had opgenomen met de douane op een algemeen nummer. Hij had gevraagd of het toegestaan was replica’s van wapens in te voeren met daarop hakenkruizen en had daar een bevestigend antwoord op gekregen. De verdachte zei verder te begrijpen dat de messen beledigend zijn voor bepaalde groepen mensen, waaronder de Joden.
De officier van justitie bracht tijdens de zitting naar voren dat het hier gaat om een principiële zaak voor het OM. De verdachte beroept zich erop dat hij contact heeft opgenomen met de douane, en dat volgens de douane het invoeren van de wapens mocht. De wetgever heeft bij het opstellen van de wetgeving inzake voorwerpen met een discriminatoire betekenis een compromis gesloten, wat uit artikel 137e Sr blijkt: het bezitten van voorwerpen waarin een discriminatoire boodschap is vervat is niet strafbaar, maar het verspreiden of het ter verspreiding in voorraad hebben van een dergelijk voorwerp wel. Het is mogelijk dat de douane aangeeft dat het invoeren van wapens met bijvoorbeeld hakenkruizen niet strafbaar is, als een voorwerp alleen voor eigen gebruik is. Als men, zoals de verdachte van plan was, echter de wapens verder verspreidt, is dit wel strafbaar. De officier benadrukte verder dat, naast het feit dat met de hakenkruizen, SS-tekens en de naziteksten nationaal-socialistisch gedachtegoed wordt uitgedragen, replica’s van nazi-messen nog steeds veel mensen sterk herinneren aan de vreselijke misdaden die met soortgelijke messen zijn begaan in de Tweede Wereldoorlog.
Verder ging de officier in op de betekenis van het ‘ter verspreiding in voorraad hebben’ in artikel 137e Sr. De verdachte had in dit geval de pakketten nog niet in handen gehad, omdat de pakketten waren onderschept door de douane voor ze bij de verdachte waren aangekomen. De betekenis van ‘ter verspreiding in voorraad hebben’ moet echter zo worden begrepen dat de verdachte de zeggenschap over het voorwerp heeft, over het voorwerp kan beschikken. De plaats waar het voorwerp zich geografisch gezien bevindt doet daarbij niet ter zake. Ter verduidelijking kan worden gedacht aan een handelaar die olie koopt in Dubai en deze per tanker laat vervoeren naar Rotterdam. Ook al heeft de handelaar de olie niet letterlijk in handen, de olie is reeds in zijn macht en staat volledig ter beschikking van de handelaar. Op elk moment kan de handelaar beslissen de olie naar Shanghai te vervoeren in plaats van naar Rotterdam of de olie verkopen, onafhankelijk van waar de olie zich bevindt. De handelaar heeft de olie ‘in voorraad’ op het moment dat hij hierover kan beschikken, als hij beslissingen kan nemen over de olie.
De officier eiste een boete van 150 euro. Bij de hoogte van het bedrag werd in aanmerking genomen dat de verdachte student was en van studiefinanciering moest leven. De politierechter overwoog dat de verdachte had moeten weten dat hij fout zat bij het bestellen van de messen. De rechtbank ging mee in de eis van de officier.
Auto met nazisymbolen, parketnummer 13/430839-07
Op 31 januari 2008 is bij de rechtbank Amsterdam een 20-jarige verdachte bij verstek veroordeeld tot een geldboete van 250 euro. De verdachte had zich opzettelijk beledigend uitgelaten over Joden door op zijn auto de tekst ‘Heil Hitler’, hakenkruizen en SS-tekens te tonen.
Toen de politie een auto met drie inzittenden aanhield om de bestuurder te verbaliseren voor het rijden zonder gordel, zagen de agenten dat in het stof op de auto hakenkruizen waren aangebracht van 15 x
De officier ging tijdens de zitting in op de betekenis van de symbolen en zei dat het hakenkruis weliswaar ook een andere, vredelievende betekenis kent, maar dat het in de context met de andere symbolen en tekst duidelijk bedoeld was als uitdrukking van het nationaal-socialistisch gedachtegoed en daarmee discriminerend werd gebruikt.
De rechter achtte het ten laste gelegde bewezen en wees erop dat de tekens en tekst refereren aan de Holocaust die voor Joden een traumatische ervaring is geweest. Het in het openbaar tonen van deze tekens en tekst is daarom een belediging van die groep mensen op grond van hun ras en /of godsdienst. De rechter nam de eis van de officier over en veroordeelde de verdachte tot een geldboete van €270 te vervangen door 5 dagen vervangende hechtenis.
Boete voor roepen ‘Osama’ naar buurman, parketnummer 03/500207-07
De rechtbank Maastricht heeft op 4 maart 2008 een 51-jarige vrouw veroordeeld tot een geldboete van
€ 350 op grond van artikel 266 Sr. De verdachte had haar buurman met een moslimachtergrond de woorden toegevoegd ‘Osama bin Laden’ en ‘Vuile moslim, rot op naar je eigen land’.
De politierechter merkte in zijn mondeling vonnis op dat het vandaag de dag zonder meer een belediging is als ‘Osama bin Laden’ als scheldwoord wordt gebruikt voor iemand met een moslimachtergrond. De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.
4. Adviezen
Onderstaand een kleine selectie van de door het LECD gegeven adviezen aan de verschillende arrondissementen. Uitdrukkelijk wordt hierbij vermeld dat het gaat om interne casuïstische adviezen van het LECD aan de parketten, hieraan kunnen geen rechten en standpunten van de parketten worden ontleend. Ze zijn ook niet bestemd voor externe publicatie.
Grijze Wolven-symbool en Grijze Wolven-gebaar
Het LECD heeft de vraag voorgelegd gekregen in hoeverre het tonen van het symbool van de Grijze Wolven (een huilende wolf in een halve maan) en het Grijze Wolven gebaar (duim, wijsvinger en middelvinger bij elkaar, ringvinger en pink omhoog zodat een wolvenkop ontstaat) strafbaar kunnen zijn op grond van een van de discriminatieartikelen.
De Grijze Wolven zijn leden of aanhangers van de Turkse nationalistische partij MHP. Deze volksnationalistische partij stelt zich ten doel een pan-Turkse staat te verwezenlijken waarin de inheemse Turkse volkeren samenkomen. Indirect kan dit betekenen: alle andere groepen moeten dus uit Turkije verdwijnen. Het LECD meent echter dat het een te grote stap is om dat te concluderen, zeker als het gaat om de strafbaarheid van tekens of symbolen van de Grijze Wolven.
Er zijn bronnen die het nationalisme van de Grijze Wolven interpreteren als het streven naar het behoud van de Turkse cultuur in een Turkse staat, waarin leden van andere groepen ook kunnen leven als de eenheid van de staat daardoor niet in gevaar wordt gebracht. De Grijze Wolven staan echter ook bekend als gewelddadige extreemrechtse partij en worden in verband gebracht met bedreigingen van mensen die zich kritisch uitlieten over de Grijze Wolven en met geweld tegen minderheden in Turkije, zoals de Armeniërs en de Koerden. In Turkije worden de Grijze Wolven gezien als extremistische groepering en komt het nogal eens tot gewelddadige confrontaties tussen de Grijze Wolven en de Koerdische PKK. In de Nederlandse situatie moet de groepering van de Grijze Wolven anders worden beoordeeld.
De gebaren en emblemen moeten in de eerste plaats worden gezien als een symbool van de nationalistische visie van de Grijze Wolven. Het symbool of het gebaar alleen zegt nog niets over andere groepen, bijvoorbeeld de Koerden of de Armeniërs, en is daarom niet strafbaar. Echter, als deze tekens worden getoond en er worden leuzen geroepen of getoond als 'Alle Koerden dood', 'We maken alle Koerden af', of 'De Koerden zijn duivels', dan is dit uiteraard wel strafbaar. Het symbool alleen levert echter geen strafbaarheid op.
‘Hé zwarte’
Aan het LECD werd advies gevraagd over de strafbaarheid van het roepen van 'hé zwarte' naar iemand met een donkere huidskleur. Uit het enkel zeggen van 'hé zwarte' zonder enige andere toevoeging blijkt volgens het LECD niet dat iemand zich beledigend uitlaat over de gehele groep mensen met een zwarte huidskleur. De uitlating is enkel gericht op een individu en valt daardoor niet onder artikel 137c Sr. In het handboek discriminatie staat een uitgebreide toelichting met betrekking tot het vraagstuk wanneer belediging van een individu tevens belediging van een groep in de zin van art. 137c Sr kan inhouden.
Het is volgens het LECD ook nog maar de vraag of er hier überhaupt sprake is van een belediging. De verdachte verwijst met de benaming zwarte blijkbaar naar de huidskleur van verdachte, maar voegt hier geen scheldwoorden zoals vuile, rot- of kanker- aan toe. Het aanspreken van iemand met 'zwarte' draagt een zekere diffamerende toonzetting in zich en is volgens de in onze maatschappij geldende normen en waarden zeker geen nette manier om iemand met een donkere huidskleur aan te spreken, maar het enkele gebruik van deze benaming raakt naar de mening van het LECD onvoldoende de grens om een strafbare belediging op te leveren in de zin van artikel 266 Sr.
Aangezien wel gemeld werd dat er sprake van zou zijn dat de verdachte de aangever vaker discrimineert, en duidelijk beledigende termen als ‘aap’ tot aangever en diens vrouw richt, zou er bij het ten laste leggen van het commune delict mishandeling/bedreiging wel voor gekozen kunnen worden om tevens een discriminatoir motief ten laste te leggen. Als het namelijk mogelijk is om op zitting voldoende aannemelijk te maken dat de verdachte handelde vanuit een discriminatoir motief, dan kan de strafeis in ieder geval met 25% worden verhoogd.