Verbod op hoofddoek juridisch niet haalbaar

27 februari 2010 -  Het beleidsvoornemen van PVV-leider Geert Wilders om het dragen van hoofddoekjes te verbieden bij gemeentelijke instellingen en bij stichtingen en verenigingen die subsidie krijgen van de gemeente, is juridisch zo goed als zeker niet uitvoerbaar.

Dit zeggen desgevraagd de hoogleraren Jit Peters (Staatsrecht, Universiteit van Amsterdam), Jenny Goldschmidt (Rechten van de Mens, Universiteit van Utrecht) en strafrechtadvocaat Gerard Spong.

Wilders maakte donderdag bekend dat het verbod op het dragen van hoofddoekjes „de belangrijkste inzet” is van de PVV bij de gemeenteraadsverkiezingen. De drie deskundigen achten het verbod zoals het Wilders voor ogen staat unaniem in strijd met het gelijkheidsbeginsel en met de vrijheid van godsdienst. Het zou volgens alle drie een inbreuk zijn op grondrechten.

Spong, die eerder betrokken was bij een aangifte tegen Wilders wegens haatzaaien, verwijst naar artikel 27 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten. Daarin wordt het staten expliciet verboden minderheden te verhinderen hun „eigen cultuur te beleven”.

Goldschmidt verwijst naar het „recht op gelijke behandeling tussen man en vrouw”. „Het verbod zou niet alleen discrimineren tussen godsdiensten maar ook tussen de seksen, omdat het alleen vrouwen zou treffen.” Rechters kijken volgens Goldschmidt ook zeer nauwgezet naar motieven. „Het Turkse hoofddoekverbod op universiteiten is goedgekeurd door Europa omdat het beoogde minderheden te beschermen in een dominant-islamitische omgeving.”

Ook Peters benadrukt de noodzaak van „zwaarwegende motieven.” „De subjectieve beleving van Geert Wilders van het hoofddoekje als onderdrukking van de vrouw is onvoldoende als motief. Temeer daar veel vrouwen zeggen het uit vrije wil te dragen.”

 

Bron: NRC | Pieter Kottman

 

  • Zoeken

Naar boven